HiHaHattem - page 30-31

et gebeurt altijd als het ’s nachts pikkedonker is, het
heel hard waait en het giet van de regen. Dit verhaal
speelde zich af in een najaarsnacht rond het jaar 1800.
Het was dus weer een donkere nacht. Geen streepje
maanlicht was te ontdekken door de donkere wolken.
Het waaide, nee, het stormde. Bomen hadden moeite
zich staande te houden, houten schuttingen, vooral de
oude, kreunden en kraakten van jewelste. De regen
striemde tegen de ruiten van het oude huis, ooit het
Voorhuys van wat eens de Dikke Tinne, het kasteel van Hattem, was geweest. Maar
het Huys gaf geen krimp, zoals het al eeuwenlang geen krimp had gegeven. Hoeveel
stormen, onweersbuien, belegeringen van buitenlandse legers onder aanvoering van
beruchte legeraanvoerders, zoals Parma en de graaf De Salazar, het verraad van de
Drost Willem van Montfoort had het Voorhuys van het kasteel niet weten te weer-
staan. Zelfs, ja zelfs Kladdegat, de beruchte en inmiddels beroemde Spookhond had
het Voorhuys niet klein gekregen…
In dat jaar, rond 1800 dus, nu ruim twee honderd jaar geleden, woonde in het
Voorhuys Arend-Janszoon. Tijdens die storm, in die donkere nacht dus, schrikt
Arend-Janszoon wakker. Hij zit direct rechtop in bed. In de donkere slaapkamer,
op zolder, hoort hij de torenklok slaan. Hij telt de slagen, eerst binnensmonds: …..,
….., dan iets harder tellend …..vier, vijf, zes, zeven, acht en dan nog harder: negen,
tien, elf, twaalf. Twaalf slagen. Twaalf uur, de tijd van het spook, hij weet het zeker.
Hij buigt zich over de bedrand en luistert. Door de kieren van de houten vloer hoort
hij nog heel even, ondanks het geraas van de storm en het gekletter van de regen,
de normale geluiden van het huis, van de koeien, de twee varkens en soms de kip-
pen die op de deel onder zijn slaapkamer worden gehouden. Maar dan, ineens, is het
stil. Angstig stil. De storm is gaan liggen, de regen is opgehouden. De beesten zijn
gestopt met kauwen, knorren en pikken. Ze staren verstijfd naar de trap. Arend-Jan
weet wat de beesten nu zien. Hij heeft al vaker gehoord wat er nu gebeurt. De koei-
en, varkens en kippen zien hoe, in het !akkerend licht van een olielamp, het spook
de trap afdaalt en verdwijnt in de gangen onder ´t Spookhuys. Na enkele minuten
maken de beesten weer hun bekende geluiden en Arend-Jan legt zich weer neer in
zijn strobed. Hij denkt aan het verhaal van zijn voorvaderen die uit eigen ervaring
vertelden over het Spook in het Voorhuys. Over de spoken, die in de nacht rond-
dwalen door de gangen, door straten en stegen van de stad. En soms ook langs de
grachten…
De broer van Arend-Janszoon, Albert, neemt op weer zo’n donkere nacht zijn sabel
mee in de hoop het spook te kunnen imponeren, misschien zelfs te verjagen. Om iets
voor twaalf uur ’s nachts, als hij onder aan de trap staat, begint hij te zwaaien met
zijn sabel. Hij zal het spook wel een lesje geven. Als de torenklok twaalf uur slaat
kijkt Albert naar boven. Hij schrikt hevig van een vreemd, angstaanjagend monster.
Hij valt !auw en zakt als een pudding ineen. Als hij een paar minuten later bijkomt
vertelt hij, nog steeds angstig en weifelend, dat hij een vreemd uitziende man of
beest of iets dergelijks boven aan de trap heeft gezien en dat het monster hem met
vuurspuwende ogen had aangekeken!
Het spook in ´t Spookhuys was nergens bang voor. In de onderaardse gangen dwaal-
de hij rond, op zoek naar mensen, en vooral naar kinderen. De kreten van angst en
pijn van zijn slachto"ers waren in de wijde omtrek te horen! Niemand durfde zich ’s
avonds nog op straat te begeven, zeker vrouwen en kinderen niet. En de paar man-
nen die toch nog de weg op moesten, waagden het niet om zich ‘s avonds in donkere
hoekjes rondom de stadsmuur te begeven.
Er woonde in die tijd een stoere bewoner in Hattem, Jan Visscher. Men vertelde dat
hij nergens bang voor was. Omdat de mensen zo bang waren voor Kladdegat de
Spookhond, want zo noemden de mensen hem inmiddels, besloten de Schout en de
Schepenen van Hattem Jan Visscher te vragen om Kladdegat voor eeuwig te laten
verdwijnen. Als vergoeding zou hij een !inke beloning krijgen en een oorlam om
zich moed in te drinken…
Na lang nagedacht te hebben hoe hij Kladdegat veilig kon vangen lokte Jan de
spookhond in de val. In één van de stegen bij het Tinneplein, dicht bij het Voor-
huys, inmiddels ook al Spookhuys genoemd, had Jan Visscher een groot net gespan-
nen. Nu was het wachten op een donkere nacht, met storm en regen. En die nacht
kwam. Kladdegat, nieuwsgierig en overmoedig, begaf zich in de richting van het
vreemde geluid dat Jan maakte. Hij liep de steeg in. Op het goede moment trok Jan
aan een koord. Kladdegat zag en voelde het net om zich heen spannen. Te laat…
Gevangen in het net en voor alle zekerheid nog een ketting om zijn hals bracht Jan
Visscher Kladdegat naar het Hondegat, het gat in de muur onder de Dorpspoort
waarin de Spookhond zich soms verschool. Toen Kladdegat in zijn eigen hol was
gegooid, metselde Jan Visscher de ingang dicht met leem en keien. Sinds die tijd is
de overlast, die Kladdegat de bewoners van Hattem bezorgde, verdwenen. Niemand
sprak meer over Kladdegat de Spookhond en men vergat hem, alsof hij nooit had
bestaan. De tijd verstreek, dag na dag, week na week, maand na maand, ja, jaar na
jaar. Totdat…
1...,10-11,12-13,14-15,16-17,18-19,20-21,22-23,24-25,26-27,28-29 32-33,34-35,36-37,38-39,40-41,42-43,44-45,46-47,48-49,50-51,...78
Powered by FlippingBook